Dynamische
eigenschappen
breedplaatvloeren
Proeven met niet-voorgespannen en voorgespannen
breedplaatvloeren
1 Meetopstelling breedplaatvloeren
1
56?CEMENT?2 2025
Trillingen in gebouwen zijn
meestal ongewenst.
Deze trillingen
kunnen worden veroorzaakt door bijvoor-
beeld het belopen van vloeren, het gebruik
van huishoudelijke apparaten of door externe
invloeden zoals windbelastingen of trillingen
door weg- en railverkeer. Om te zorgen dat
de trillingsniveaus in gebouwen acceptabel
zijn (geen storing van apparatuur, hinder
van personen of schade aan materialen),
verricht ingenieursbureau Peutz regelmatig
onderzoek naar de te verwachten trillings-
niveaus. In dergelijke onderzoeken worden,
naast het uitvoeren van metingen, bereke-
ningen uitgevoerd met een 3D-eindige-ele-
mentenmodel, waarbij de eigenschappen
van de constructie en andere relevante ele-
menten en bijbehorende eigenschappen
worden verwerkt. In dit rekenmodel worden
vloeren en wanden gemodelleerd als vlak-
ken (SHELL-elementen) en de kolommen en
liggers als lijnen (BEAM-elementen).
Breedplaatvloeren
Om het gedrag van breedplaatvloeren bij
dynamische belastingen te doorgronden, is
een experimenteel onderzoek uitgevoerd.
Daarbij zijn een voorgespannen en niet-
voorgespannen breedplaatvloer in trilling
gebracht. De materiaaleigenschappen van
belang voor het (dynamische) gedrag zijn
de dichtheid, de buigstijfheid (product van
de elasticiteitsmodulus en het traagheids-
moment), de poissonratio, de mate van in-
klemming en de dimensies (dikte, lengte en
breedte) [1]. Deze eigenschappen zijn bepa-
lend voor de eigenfrequentie van de vloeren.
Eigenfrequentie
Trillingen in de bodem worden door een
constructie in bepaalde mate, afhankelijk
van de aanwezige dominante frequenties,
gedempt. Als een trilling een frequentie be-
vat die in overeenstemming is met de eigen-
frequentie van een deel van de constructie,
kan dat leiden tot resonantie. Resonantie
kan sterk verhoogde trillingsamplitudes ver-
oorzaken, zelfs als de externe kracht op
zichzelf relatief klein is. De (eerste) eigenfre-
quenties van vloeren in een constructie zijn
vaak bepalend voor het optreden van reso-
nantie. Onderstaande formule geeft de eer-
ste eigenfrequentie f
n
van een vloerplaat [1]:
()
2
2 2
n
?
?1?
2?
D
a
f
?
?
=
39 3 7
ongescheurd11
?32,8 10 1 0, 22 1, 036 3, 0 10
12 12
D EI E bd Nm
??
=?=? ?? ?= ? ? ?? ? = ? ?
??
??
()
2
2
2
n
2?? 1?
?
a
Df
??
= ? ? ?? ???
??
(4)
Waarin:
f
n
is de eigenfrequentie [Hz]
? is de inklemmingsfactor [-]
D buigstijfheid [Nm²] (EI, zie kader
'Buigstijfheid')
a lengte van de plaat [m]
? poissonratio [-]
? oppervlaktemassa [kg/m²]
ING. TIM
HALLEGRAEFF
Adviseur
Trillingbeheersing
Peutz B.V.
DIPL.-ING AFSHIN
ABBASI
Hoofd Constructie
Vloersystemen
Geelen Beton B.V.
auteurs
Om een goed beeld te krijgen van trillingen in gebouwen kan het nodig zijn berekeningen in
een 3D-eindige-elementenmodel uit te voeren. De materiaaleigenschappen die in dat model
moeten worden ingevoerd zijn heel bepalend, zo ook het dynamische gedrag. Het dynamische
gedrag van twee specifieke betonnen breedplaatvloeren is onderzocht, waarbij ook is gekeken
naar het effect van scheurvorming.
CEMENT 2 2025 ?57
De inklemmingsfactor ? wordt bepaald door
de mate van inklemming (scharnierend of
volledig ingeklemd) van de breedplaatvloe-
ren en is afhankelijk van de lengte-breedte-
verhouding. Dit bepaalt welke trilvormen
(eigenfrequenties) er mogelijk zijn in het
vloerveld. Deze is in literatuur gedefinieerd
voor een aantal lengte-breedteverhoudingen
[2], tot een maximum van 2,5. In voorliggend
onderzoek is de lengte-breedteverhouding 7.
Via deze formule kan daarmee niet nauw-
keurig een berekening van de buigstijfheid
worden gedaan met de gemeten eigenfre-
quenties, maar geeft wel inzicht in de theo-
rie erachter.
In de proeven zijn de mate van inklemming,
de dimensies (lengte, breedte, dikte), de
poissonratio en de oppervlaktemassa van
beide breedplaatvloeren constant. Als de
eigenfrequentie zou veranderen, dan komt
dat dus uitsluitend door verandering in de
buigstijfheid van de platen.
Onderzoek
Om een beter beeld te krijgen van het dyna-
mische gedrag van betonnen breedplaat-
vloeren heeft Peutz in samenwerking met
Geelen Beton onderzoek uitgevoerd naar het
dynamische gedrag van de breedplaatvloe-
ren. Daarbij is ook onderzocht wat het effect
is van een tijdelijke statische belasting op
het gedrag van de breedplaatvloeren. Als
een breedplaatvloer doorbuigt, en (deels) op
trek wordt belast, kan dit zorgen voor (signi-
ficante) scheurvorming.
Uitgangspunten opstelling?Voor het onder-
zoek is een testopstelling gemaakt, waarbij
een niet-voorgespannen en een voorgespan
-
nen breedplaatvloer met een dikte van 220 m
(breedplaat 70 mm, druklaag 150 mm) opge
-
legd zijn op betonbalken. De sterkteklasse van
de onderzochte breedplaatvloeren is C30/37,
met een elasticiteitsmodulus van 32 GPa.
Na het uitvoeren van een eerste me-
ting is op de breedplaatvloeren een tijdelijk
moment aangebracht (foto 2 en 3). Na gedu-
rende één nacht is dit moment weer verwij-
derd, waarna nieuwe metingen zijn uitge-
voerd. Dit proces is vervolgens herhaald
waarbij stapsgewijs het moment werd ver-
hoogd om zo scheurvorming (verder) te ver-
oorzaken.
Bij een voorgespannen breedplaatvloer
kan het scheurmoment theoretisch dermate
worden vergroot dat het optredende moment
onder het scheurmoment blijft. In dat geval
2 Meetopstelling breedplaatvloeren
BUIGSTIJFHEID
De buigstijfheid is een grootheid die
wordt bepaald door de elasticiteitsmo-
dulus en het traagheidsmoment en
wordt als volgt berekend:
D = E I
eff
(1)
waarin:
D??? is de buigstijfheid van een isotrope
?????plaat [Nm
2
]
E ???is de elasticiteitsmodulus van het
?????beton [N/m
2
]
I
eff
?? is het effectieve traagheidsmoment
?????[m
4
]
Het effectieve traagheidsmoment (I
eff
)
van de gescheurde doorsnede kan als
volgt worden bepaald:
I
eff
= ? I
ii
+ I
i
(1 ? ?)(2)
met:
=? ?
2
cr
?10,5
M
M
=? ?
3
i1
12
lb h
waarin:
I
i
???is het traagheidsmoment van een
???? ongescheurde plaat [m
3
]
I
ii
?? is het traagheidsmoment van een
???? gescheurde plaat [m
3
]
? ???is de verdelingsfactor (de mate van
???? scheurvorming) [-]
M
cr
?is het scheurmoment [Nm]
M ?? is het moment t.g.v. de statische ??
???? belasting [Nm]
Het traagheidsmoment van een onge-
scheurde plaat kan als volgt worden
berekend:
=? ?
2
cr
?10,5
M
M
=? ?
3
i1
12
lb h
(3)
waarin:
b ???is de breedte van de plaat [m]
h ???is de hoogte/dikte van de plaat [m]
2
58?CEMENT?2 2025
geldt: ? = 0 en I
eff
= I
i
(zie kader 'Buigstijfheid').
Het theoretische scheurmoment van de
breedplaatvloeren bedroeg in dit onderzoek
32 kNm voor de niet-voorgespannen breed-
plaatvloer en 66 kNm voor de voorgespannen
breedplaatvloer.
Tijdens de metingen is op beide vloe-
ren een shaker geplaatst, die de platen in
trilling brengt in frequenties variërend van
1 Hz tot en met 100 Hz (foto 4). Op enkele
posities op de vloeren is trillingsmeetappa-
ratuur (SYSCOM MR3000C) opgesteld die
de respons van de vloeren op de aanstoting
meten, te weten de trillingsniveaus (geme-
ten snelheden in mm/s) in drie richtingen
(verticaal en twee horizontale richtingen).
3 Het uitvoeren van een tijdelijk moment op de breedplaatvloer
4 Meetopstelling breedplaatvloer inclusief shaker
In een
experimenteel
onderzoek zijn
twee breedplaat-
vloeren in
trilling gebracht
zodat de
eigenfrequentie
kan worden
vastgesteld
3
4
CEMENT 2 2025 ?59
Trillingen in de verticale richting zijn maat-
gevend, daarom zijn de meetresultaten
alleen geanalyseerd in deze richting.
Zodra de vloeren worden aangestoten
in hun eerste eigenfrequentie, treedt reso-
nantie op die te zien is in het gemeten fre-
quentiespectrum. De frequentie waarmee
dit optreedt, is de (eerste, bepalende) eigen-
frequentie die relevant is voor de buigstijf-
heid. Als er ten gevolge van toenemende
momenten scheurvorming heeft plaatsge-
vonden, zou de eigenfrequentie moeten zijn
gedaald.
Meetresultaten
Bij een ongescheurde betonnen breedplaat-
vloer is de buigstijfheid bepaald conform
formule 1, waarbij het traagheidsmoment
gelijk is aan dat van ongescheurd beton:
()
2
2 2
n
?
?1?
2?
D
a
f
?
?
=
39 3 7
ongescheurd
11
?32,8 10 1 0, 22 1, 036 3, 0 10
12 12
D EI E bd Nm
??
=?=? ?? ?= ? ? ?? ? = ? ?
??
??
()
2
2
2
n
2?? 1?
?
a
Df
??
= ? ? ?? ???
??
()
2
2 2
n
?
?1?
2?
D
a
f
?
?
=
39 3 7
ongescheurd11
?32,8 10 1 0, 22 1, 036 3, 0 10
12 12
D EI E bd Nm
??
=?=? ?? ?= ? ? ?? ? = ? ?
??
??
()
2
2
2
n
2?? 1?
?
a
Df
??
= ? ? ?? ???
??
()
2
2 2
n
?
?1?
2?
D
a
f
?
?
=
39 3 7
ongescheurd11
?32,8 10 1 0, 22 1, 036 3, 0 10
12 12
D EI E bd Nm
??
=?=? ?? ?= ? ? ?? ? = ? ?
??
??
()
2
2
2
n
2?? 1?
?
a
Df
??
= ? ? ?? ???
??
Het is van belang dat er rekening wordt ge-
houden met de invloed van wapening op
deze buigstijfheid (factor ?). Door deze wa -
pening is de buigstijfheid van deze specifie-
ke breedplaatvloeren een factor 1,036 hoger.
Dit is de buigstijfheid waarbij geen (signifi-
cante) scheurvorming heeft plaatsgevonden
en waarbij het traagheidsmoment nog niet
is afgenomen.
In het
rekenmodel is
de benodigde
elasticiteits
modulus
bepaald zodat
het rekenmodel
overeenkomt
met de gemeten
eigenfrequentie
Als de eigenfrequentie van de breedplaat-
vloeren daalt, en alle andere eigenschappen
uit formule 4 zijn onveranderd, dan neemt
de buigstijfheid ook kwadratisch af. Dit is
ook te zien wanneer de formule wordt om-
geschreven:
()
2
2 2
n
?
?1?
2?
D
a
f
?
?
=
39 3 7
ongescheurd11
?32,8 10 1 0, 22 1, 036 3, 0 10
12 12
D EI E bd Nm
??
=?=? ?? ?= ? ? ?? ? = ? ?
??
??
()
2
2
2
n
2?? 1?
?
a
Df
??
= ? ? ?? ???
??
Er wordt een afnamefactor vastgesteld voor
de gemeten eigenfrequenties ten opzichte
van de oorspronkelijke eigenfrequentie
(ongescheurde, voorgespannen breedplaat-
vloer). Deze factor wordt vervolgens toege-
past op de oorspronkelijke buigstijfheid
(3,02 ? 107). Zie tabel 1.
De in de tabel opgenomen momenten
en berekende buigstijfheden voor beide
breedplaatvloeren zijn weergegeven in
figuur 5. Daarnaast is een afnamelijn con-
form [3] opgenomen, ter inzicht voor de
gemeten afname.
Uit de resultaten blijkt dat de buig-
stijfheid van de niet-voorgespannen breed-
plaatvloer bij het begin van de metingen,
waarbij er alleen sprake is van eigengewicht
van de schil en de druklaag, al lager is dan
die van de voorgespannen breedplaat. De
niet-voorgespannen breedplaatvloer begint
dus naar verwachting vrijwel meteen
scheurvorming te ontwikkelen onder zijn
eigengewicht.
Wanneer het moment wordt opgevoerd
is zichtbaar dat de buigstijfheid verder af-
neemt. De buigstijfheid van de voorgespan-
Tabel 1?Meetresultaten en berekende buigstijfheid van de betonnen breedplaatvloeren
Niet-voorgespannen Voorgespannen
Moment Frequentie Afname* Buigstijfheid Moment Frequentie Afname* Buigstijfheid
[Nm] [Hz] [-] [Nm] [Nm] [Hz] [-] [Nm]
31.726** 7,70 0,88 2,65 ? 10? 31.726** 8,22 1,0 3,02 ? 10?
33.766 7,60 0,85 2,58 ? 10? 33.766 8,22 1,0 3,02 ? 10?
36.017 7,38 0,81 2,44 ? 10? 36.017 8,22 1,0 3,02 ? 10?
38.163 7,31 0,79 2,39 ? 10? 38.163 8,22 1,0 3,02 ? 10?
39.574 7,07 0,74 2,24 ? 10? 39.574 8,22 1,0 3,02 ? 10?
61.240 6,50 0,63 1,89 ? 10? 61.240 8,15 0,98 2,97 ? 10?
61.622 5,89 0,51 1,55 ? 10? 67.470 7,76 0,89 2,69 ? 10?
68.659 5,72 0,48 1,46 ? 10? 75.845 7,50 0,83 2,52 ? 10?
74.482 5,60 0,46 1,40 ? 10? 75.492 7,29 0,79 2,38 ? 10?
* Dit is de afnamefactor van de gemeten eigenfrequentie t.o.v. eigenfrequentie bij een ongescheurde breedplaatvloer
**
Dit is het moment ten gevolge van het eigengewicht van de breedplaatvloeren
60?CEMENT?2 2025
0,0E+00
5,0E+06
1,0E+07
1,5E+07
2,0E+07
2,5E+07
3,0E+07
3,5E+07
4,0E+07
4,5E+07
5,0E+07
0 10000 20000 30000 40000 50000 60000 70000 80000 90000 100000
Buigstijfheid (Nm)
Krachtmoment (NM)
Eigengewicht niet-voorgespannen voorgespannen niet-voorgespannen(Jervath&Shibani) voorgespannen(Jervath&Shibani)
nen breedplaatvloer blijft grotendeels con-
stant. De voorspankracht voorkomt tot een
bepaald moment dat de breedplaatvloer
(significant) op trek wordt belast. Echter,
ook een voorgespannen breedplaatvloer
heeft een limiet waarboven er wel trekspan-
ningen ontstaan die tot scheurvorming
leiden, en de eigenfrequentie en daarmee
samenhangende buigstijfheid afneemt.
3D-eindige-elementenmodel
In softwareprogramma ANSYS is een modale
analyse gedaan op de breedplaatvloeren.
In deze benadering is uitgegaan van een
SHELL-element, waar alle gegevens van de
breedplaatvloeren aan zijn toegekend
(inclusief de factor waarmee de invloed van
wapening wordt meegenomen). De gemeten
eigenfrequentie van 8,22 Hertz wordt bere-
kend wanneer de elasticiteitsmodulus con-
form de Eurocode 2 wordt opgeschaald met
10,5% (fig. 6).
5
5 Buigstijfheden van beide breedplaatvloeren na toenemende momenten
Het is bij deze rekenmethode niet mogelijk
het effect van scheurvorming toe te kennen
aan het traagheidsmoment (zie formule 2).
Wel is het mogelijk de buigstijfheid te corri-
geren voor scheurvorming, door de eerder
genoemde afnamefactor te verwerken in de
ingevoerde elasticiteitsmodulus. De buig-
stijfheid is tenslotte het product van het
traagheidsmoment en de elasticiteitsmodu-
lus. Waar de factor in deze verwerkt zit, is
niet van belang. Bij de laatste meting van de
niet-voorgespannen breedplaatvloer, waar
een eigenfrequentie van 7,29 Hz was geme-
ten, is deze factor toegepast op de elastici-
teitsmodulus in ANSYS. De berekende eigen-
frequentie is in overeenstemming met de
gemeten eigenfrequentie.
Conclusie
De gemeten eigenfrequenties worden in het
3D-eindige-elementenmodel (ANSYS) bere-
kend wanneer de elasticiteitsmodulus
Door minder
scheurvorming
blijft buigstijf-
heid van de
voorgespannen
breedplaatvloer
hoger, wat meer
weerstand biedt
tegen trillingen
CEMENT 2 2025 ?61
wordt verhoogd met circa 10%. Mogelijk is
de buigstijfheid bij dynamische belastingen
hoger dan die op basis van Eurocode 2. Het
is op basis van dit onderzoek niet vast te
stellen of er een vast verband is tussen in te
voeren buigstijfheid in het rekenmodel en
gemeten eigenfrequenties in de praktijk, die
kan worden toegepast op breedplaatvloeren
met andere afmetingen en betonsterkteklas-
sen. In dit onderzoek zijn metingen uitge-
voerd aan slechts één variant voorgespan-
nen en niet-voorgespannen breedplaatvloer.
Er zijn veel factoren van invloed op het ge-
drag van breedplaatvloeren en daarmee
samenhangende buigstijfheden.
De buigstijfheid van de voorgespannen
breedplaatvloer tijdens uitsluitend het mo-
ment door het eigengewicht is hoger dan die
van de niet-voorgespannen breedplaatvloer.
De voorspanning biedt weerstand tegen
doorbuiging onder het eigengewicht. Na elke
stapsgewijze tijdelijke verhoging van de sta-
tische belasting van de niet-voorgespannen
breedplaatvloer neemt de buigstijfheid
verder af.
De voorgespannen breedplaatvloer
daalt pas in eigenfrequentie na het scheur-
moment, dat optreedt bij een moment van
circa 60.000 Nm. Daarna daalt ook bij deze
breedplaatvloer stapsgewijs de buigstijfheid.
Dit komt hier tevens door scheurvorming.
De voorspankracht is daar niet meer vol-
doende om de statische belastingen op te
vangen.
Op basis van het onderzoek kan wel worden
gesteld dat voorgespannen breedplaatvloe-
ren een hogere buigstijfheid hebben dan
niet-voorgespannen vloersystemen. De ei-
genfrequentie, en daarmee samenhangende
buigstijfheid van de niet-voorgespannen
vloer is ten gevolge van zijn eigengewicht al
lager dan die van de voorgespannen breed-
plaatvloer. De verhoogde buigstijfheid en
draagkracht van voorgespannen breedplaat-
vloeren maken ze over het algemeen beter
bestand tegen trillingen, mits de eigenfre-
quentie behorende bij de specifieke breed-
plaatvloer niet gelegen is in de nabijheid van
de maatgevende aanstootfrequentie.?
LITERATUUR
1?Blevins, R. D., Formulas for natural
frequency and mode shape. Litton
Educational Publishing, Inc., 1979.
2?NEN-EN 1992-1-1 Eurocode 2:
Ontwerp en berekening van
betonconstructies - Deel 1-1: Algemene
regels en regels voor gebouwen.
3?Sukhvarsh, J., Shibani, M.M., Dynamic
Stiffness and Vibration of Reinforced
Concrete Beams, 1985.
6 Berekende eigenfrequentie (a) ongescheurde breedplaat en (b) gescheurde breedplaat in ANSYS
(na opschalen elasticiteitsmodulus)
6a 6b
62?CEMENT?2 2025
Trillingen in gebouwen zijn meestal ongewenst. Deze trillingen kunnen worden veroorzaakt door bijvoorbeeld het belopen van vloeren, het gebruik van huishoudelijke apparaten of door externe invloeden zoals windbelastingen of trillingen door weg- en railverkeer. Om te zorgen dat de trillingsniveaus in gebouwen acceptabel zijn (geen storing van apparatuur, hinder van personen of schade aan materialen), verricht ingenieursbureau Peutz regelmatig onderzoek naar de te verwachten trillingsniveaus. In dergelijke onderzoeken worden, naast het uitvoeren van metingen, berekeningen uitgevoerd met een 3D-eindige-elementenmodel, waarbij de eigenschappen van de constructie en andere relevante elementen en bijbehorende eigenschappen worden verwerkt. In dit rekenmodel worden vloeren en wanden gemodelleerd als vlakken (SHELL-elementen) en de kolommen en liggers als lijnen (BEAM-elementen).
Om het gedrag van breedplaatvloeren bij dynamische belastingen te doorgronden, is een experimenteel onderzoek uitgevoerd. Daarbij zijn een voorgespannen en niet-voorgespannen breedplaatvloer in trilling gebracht. De materiaaleigenschappen van belang voor het (dynamische) gedrag zijn de dichtheid, de buigstijfheid (product van de elasticiteitsmodulus en het traagheidsmoment), de poissonratio, de mate van inklemming en de dimensies (dikte, lengte en breedte) [1]. Deze eigenschappen zijn bepalend voor de eigenfrequentie van de vloeren.
Reacties